Tweedaagse training
Tijdens deze training leren museumdocenten kunst toegankelijk te maken voor mensen met een visuele beperking
Hoe kan je kunst beleven als je niet goed ziet? In de tweedaagse training Ongezien stappen museumdocenten in de schoenen van bezoekers met een visuele beperking en ontdekken ze hoe zij kunstwerken toegankelijker kunnen maken.
Een artikel van Mariska van Schijndel, redacteur bij De Voorste Kamer.
In een kleine, lichte zaal grenzend aan de binnentuin van het Centraal Museum in Utrecht druppelen de eerste museumdocenten langzaam binnen. Het is een koude novembermorgen en velen komen van ver, waardoor de lange tafel met koffie, thee en gebakjes als een warm welkom voelt. Midden in de ruimte staan zo’n vijftien stoelen klaar, gericht op een presentatie en een spreekstoel.
De docenten komen van musea uit diverse hoeken van het land – van Groningen tot Leiden – en zijn hier om twee dagen lang te leren hoe je museumaanbod toegankelijk maakt voor mensen met een visuele beperking. Achter de spreekstoel staat Elvera van Leeuwen, oprichter van het trainings- en adviesbureau Mikxs, dat als doel heeft musea toegankelijk te maken. Deze training, genaamd Ongezien, heeft een uitgebreid programma: de eerste dag staat in het teken van de doelgroep, de uiteenlopende visuele beperkingen en beeldbeschrijvingen; op de tweede dag wordt behandeld hoe je kunst kunt verrijken met tast, geur en audio.
Tijdens de voorstelronde wordt al snel duidelijk dat de meeste docenten tegen dezelfde problemen aanlopen als het gaat om het toegankelijk maken van museumaanbod: een gebrek aan geld, kennis en mensen. Maar misschien wel belangrijker: allen hebben de wil om het museum tóch toegankelijker te maken voor blinde en slechtziende mensen, wat blijkt uit het fanatieke gekrabbel in notitieboekjes en de vele vragen. “Die vraag komt straks aan bod”, zegt Van Leeuwen meerdere keren lachend.
“In alles wat ik doe, staat de beleving van de mens centraal”, zegt Van Leeuwen. Dat loopt dan ook als een rode draad door de training heen. Een van de eerste onderdelen is het ervaren van de collectie van het Centraal Museum met verschillende simulatiebrillen die een visuele beperking nabootsen. Voorzichtig en licht angstig schuifelen de museumdocenten, met een mede-docent aan hun arm, door de tentoonstellingsruimtes heen. Achtergrondgeluiden die eerst nooit opvielen, knallen nu hun oren in. “Ik raak nu veel sneller overprikkeld”, zegt de een. “Heel vermoeiend dit,” zegt de ander.
De grootste openbaring vindt plaats bij een groot schilderij. “Ga op de plek staan waar jij het schilderij het beste kunt zien,” zegt Van Leeuwen tegen de groep. “Wow!” roepen ze wanneer ze hun brillen weer af mogen zetten. De hele groep staat verspreid over de ruimte – mensen met kokervisie achterin, mensen met wazig zicht voorin en mensen zonder zicht dicht bij Van Leeuwen. Met één simpele oefening heeft ze een hardnekkig vooroordeel uit de weg geruimd: dat alle mensen met een visuele beperking het liefst dichtbij een kunstwerk willen staan.
Ook wanneer het onderwerp tast aan bod komt, laat Van Leeuwen de groep eerst ervaren hoe het is om zonder zicht en zonder uitleg een object te voelen. Ze geeft iedereen een vormpje; vervolgens moeten ze raden wat het is. “Een vis!”, zegt iemand, om er vervolgens achter te komen dat het een paddenstoel is. Nog een gok: “Een poppetje met een kraag… Of is het een lichaam met een lamp als hoofd?” Het is voor iedereen duidelijk: een tastobject heeft altijd een goede uitleg nodig.
Misschien wel het lastigste onderdeel van de hele training is het maken van goede beeldbeschrijvingen. Van Leeuwen geeft iedereen opnieuw een opdracht. Twee à drie mensen moeten met de ruggen tegen elkaar aan zitten. Een persoon krijgt een afbeelding van een schilderij en moet dat beschrijven. De luisteraar moet vervolgens op basis van die beschrijving een tekening maken. Wanneer een museumdocent een vrij duister schilderij met een grote groep bedrukte, in een cirkel wandelende mannen in handen krijgt, begint ze alle mannen te tellen. “…20, 21, 22. Teken 22 mannetjes!” Wanneer de ander haar tekening laat zien, beginnen ze hard te lachen. De mannetjes staan kriskras door elkaar op het papier. Wat blijkt: ze had zich tijdens het beschrijven zó in de details verloren dat ze was vergeten te zeggen dat de mannen in een cirkel staan.
Na uitgebreide feedback van Van Leeuwen moeten de docenten een eigen kunstwerk kiezen en dat beschrijven aan de groep. De groep vormt vervolgens een beeld in het hoofd; daarna wordt het kunstwerk getoond. Bij de meesten gaat dat goed. Toch blijft het voor sommigen lastig om een juiste balans te vinden tussen het beschrijven van details en het schetsen van het grotere geheel. Een docent gaat zo diep in op de details dat iedereen denkt dat het schilderij veel levendiger en kleurrijker zou zijn dan het in werkelijkheid is. “Over het algemeen geldt: liever een heldere beschrijving dan een gedetailleerde”, legt Van Leeuwen uit. “Vooral mensen die blind geboren zijn, hebben minder behoefte aan details.”
De training wordt afgerond met een rustig muziekstuk dat is gemaakt bij een schilderij. Sommigen beginnen vermoeide ogen te krijgen, en Van Leeuwen laat nog weten dat de docenten altijd bij haar terechtkunnen voor hulp. “Is de training wat jullie hadden verwacht?”, vraagt ze. Een museumdocent veert op. “Ja, en nog veel meer dan dat!” De rest knikt instemmend.
Dit artikel is geschreven door Mariska van Schijndel van de redactie de Voorste Kamer en is verschenen in de special ‘Nergens aankomen’. In deze special bezoeken redacteuren van de Voorste Kamer diverse musea om te ontdekken in hoeverre museumaanbod toegankelijk gemaakt wordt voor mensen met een visuele beperking. Deze special is te bestellen via de app of website van Passend Lezen. Het is ook aan te vragen via Klantencontact: 070 – 338 15 00 of klanten@passendlezen.nl.
